Posts tonen met het label Filosofie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Filosofie. Alle posts tonen

woensdag 9 april 2014

Een overmoedig woord


"Wanneer mensen worden begrepen als metamorfosen van de natuur, die hun met hun aard bedeelt, maar tegelijk uit hun voegen rukt en verdeelt, komt het misschien tot een niet optimistische en niet pessimistische, maar tragische filosofie van de natuur van mensen. Maar dat is een overmoedig woord." (Oudemans, Heideggers filosofie van de levende natuur, p. 33)

maandag 27 januari 2014

The conjunction of two words


"That the publication of the 'Origin of Species' marked an epoch in the development of the natural sciences is well known to the layman. That the combination of the very words origin and species embodied an intellectual revolt and introduced a new intellectual temper is easily overlooked by the expert. The conceptions that had reigned in the philosophy of nature and knowledge for two thousand years, the conceptions that had become the familiar furniture of the mind, rested on the assumption of the superiority of the fixed and final; they rested upon treating change and origin as signs of defect and unreality. In laying hands upon the sacred ark of absolute permanency, in treating the forms that had been regarded as types of fixity and perfection as originating and passing away, the 'Origin of Species' introduced a mode of thinking that in the end was bound to transform the logic of knowledge, and hence the treatment of morals, politics, and religion." (Dewey 1910, The influence of Darwinism on Philosophy)

vrijdag 24 januari 2014

Temidden van het niets en de oneindigheid




"Wat is een mens temidden van de oneindigheid?
Wie zich in dat licht beschouwt, wordt bang voor zichzelf en als hij bedenkt hoe hij in de stof, welke de natuur hem gegeven heeft, zweeft tussen de beide afgronden van het oneindige en het niets, zal hij sidderen bij het zien van die wonderen. Zijn weetgierigheid zal overgaan in bewondering en ik geloof dat hij eerder geneigd zal zijn ze zwijgend te aanschouwen dan ze verwaten te doorzoeken.
Want wat toch betekent de mens tenslotte in de natuur? Een niets vergeleken bij het oneindige, een al vergeleken bij het niets, houdt hij het midden tussen niets en alles. Oneindig ver verwijderd van het begrip van deze uitersten, blijven het einde der dingen en hun begin voor hem onherroepelijk verborgen in een ondoordringbaar geheim: hij is evenmin in staat het niets te zien, waaruit hij is voortgekomen, als het oneindige, waarin hij verzwolgen wordt.

Ziedaar onze ware toestand. En dat maakt ons onbekwaam, zowel om iets met zekerheid te weten als om volkomen onwetend te zijn. Wij dobberen rond op een uitgestrekt middengebied, altijd weifelend en onzeker, en worden her- en derwaarts gedreven. Aan welk einde wij ons ook denken vast te klampen om een houvast te hebben, het wijkt en laat ons in de steek, en als wij het volgen, ontsnapt het aan onze greep, glijdt ons uit de hand en vlucht weg in eeuwige vlucht. Niets blijft voor ons stilstaan. Deze toestand is ons natuurlijk en tegelijk druist hij lijnrecht tegen onze neigingen in. Wij branden van verlangen vaste grond onder de voeten te krijgen, een laatste stevige grondslag om er een toren op te bouwen, die zich oneindig hoog verheft, maar heel ons fundament kraakt in zijn voegen en de aarde opent zich tot afgronden." (Pascal 1963, Gedachten, pp. 33-36)

dinsdag 21 januari 2014

Ingesponnen


 "We are not just a species that uses symbols. The symbolic universe has ensnared us in an inescapable web. Like a 'mind virus,' the symbolic adaptation has infected us, and we now by virtue of the irresistible urge it has instilled in us to turn everything we encounter and everyone we meet into symbols, we have become the means by which it unceremoniously propagates itself throughout the world." (Deacon 1997, The Symbolic Species, p. 436)


"De gewoonten van onze zinnen hebben ons ingesponnen in leugen en bedrog der ervaring: deze op hun beurt zijn de grondslagen van al onze oordelen en 'inzichten' - er is absoluut geen ontkomen aan, er zijn absoluut geen sluip- en vluchtwegen naar de werkelijke wereld!" (Nietzsche 1977, Morgenrood, p. 94)

vrijdag 17 januari 2014

Tegen het humanisme


"Die manier, waarop de mens in zijn eigen wezen tot het Zijn aanweest, is het ekstatische instaan van de waarheid van het Zijn. Door deze wezensbepaling van de mens worden de humanitische verklaringen van de mens als animal rationale, als 'persoon', als geestelijk, psychisch, lichamelijk wezen, niet als onjuist aangemerkt en niet verworpen. Veeleer is de enige gedachte deze: de hoogste humanistische bepalingen van het wezen van de mens ervaren nog niet de eigenlijke waardigheid van de mens. In zover is het denken in Sein und Zeit gericht tegen het humanisme." (Heidegger 1973, Brief over het Humanisme, p. 42)

woensdag 8 januari 2014

A priori = a posteriori?


"Most certainly Hume was wrong when he wanted to derive all that is a priori from that which the senses supply to experience. Adaptation of the a priori to the real world has no more originated from 'experience' than has adaptation of the fin of the fish to the properties of water. Just as the form of the fin is given a priori, prior to any individual coping of the young fish with the water, and just as it is this form that makes possible this coping: so is it also the case with our forms of perception and categories in their relationships to our coping with the real external world by means of experience." (Lorenz 1962, Kant's Doctrine of the a priori in the Light of Contemporary Biology, p. 25)

zaterdag 4 januari 2014

An inescapable evolutionarily stable set of memes


"Experience is a process that continually gives us new material to digest. We handle this intellectually by the mass of beliefs of which we find ourselves already possessed, assimilating, rejecting, or rearranging in different degrees. Some of the apperceiving ideas are recent acquisitions of our own, but most of them are common-sense traditions of the race. There is probably not a common-sense tradition, of all those which we now live by, that was not in the first instance a genuine discovery, an inductive generalization like those more recent ones of the atom, of inertia, of energy, of reflex action, or of fitness to survive. The notions of one Time and of one Space as single continuous receptacles; the distinction between thoughts and things, matter and mind between permanent subjects and changing attributes; the conception of classes with sub classes within them; the separation of fortuitous from regularly caused connections; surely all these were once definite conquests made at historic dates by our ancestors in their attempt to get the chaos of their crude individual experiences into a more shareable and manageable shape. They proved of such sovereign use as denkmittel that they are now a part of the very structure of our mind. We cannot play fast and loose with them. No experience can upset them. On the contrary, they apperceive every experience and assign it to its place." (James 1904, Humanism and Truth)

And now let's replace 'gene' by 'meme' in the next quote:
"The gene pool is the long-term environment of the gene. 'Good' genes are blindly selected as those that survive in the gene pool. This is not a theory; it is not even an observed fact: it is a tautology. The interesting question is what makes a gene good. As a first approximation I said that what makes a gene good is the ability to build efficient survival machines-bodies. We must now amend that statement. The gene pool will become an evolutionarily stable set of genes, defined as a gene pool that cannot be invaded by any new gene. Most new genes that arise, either by mutation or reassortment or immigration, are quickly penalized by natural selection: the evolutionarily stable set is restored. Occasionally a new gene does succeed in invading the set: it succeeds in spreading through the gene pool. There is a transitional period of instability, terminating in a new evolutionarily stable set-a little bit of evolution has occurred. By analogy with the aggression strategies, a population might have more than one alternative stable point, and it might occasionally flip from one to another. Progressive evolution may be not so much a steady upward climb as a series of discrete steps from stable plateau to stable plateau. It may look as though the population as a whole is behaving like a single self-regulating unit. But this illusion is produced by selection going on at the level of the single gene. Genes are selected on 'merit'. But merit is judged on the basis of performance against the background of the evolutionarily stable set which is the current gene pool." (Dawkins 1976, The Selfish Gene, p. 86)

woensdag 1 januari 2014

Vanuit de grot



Over Sein und Zeit:
"Heidegger beschrijft het leven en denken in de grot niet vanuit het standpunt van iemand die al buiten is geweest en alles precies weet en het 'eigenlijke' op zak heeft, maar vanuit het ongeneeslijke vermoeden dat er een 'buiten' en een 'verder' is; en hij analyseert in Sein und Zeit het instrumentarium waarop de mensen in de grot zijn aangewezen. Hun taal maakt daarvan een belangrijk onderdeel uit." (Cornelis Verhoeven)

dinsdag 31 december 2013

De verwondering, de twijfel en de vraag


"Is het een twijfel, een verwondering of een vraag wanneer Heidegger als uitgangspunt van het metafysische denken de ‘vraag’ stelt: ‘Warum ist überhaupt Seiendes und nicht vielmehr nichts?’ (Heidegger 1953, Einführung in die Metaphysik, p. 2) Zeker komt deze vraag voort uit de verwondering. Maar drukt zij die verwondering ook rechtstreeks uit? Is de verwondering hier niet al tot een vraag verwerkt?

Vraag en twijfel zijn al bewerkingen van de stof die de verwondering biedt, omgebogen in de richting van redenering en antwoord, reeks en systeem. De vraag ‘waarom is er iets’ is in het ‘waarom’ al duidelijk gebogen in de richting van een categorie als causaliteit en drukt daarin al de verwachting van een bepaald soort antwoord uit: zij blijkt zelf al een spel met geconstitueerde grondbegrippen te zijn en daarom niet fundamenteel. De verwondering zoekt hier al te haastig een uitweg om principe te zijn.

We moeten zeggen dat verwondering en vraag niet hetzelfde zijn; de vraag gaat al in de richting van een uitweg, uit de verwondering; zij heeft al een stuk verwondering verwerkt.

Wijsbegeerte is vanouds een poging om tot wetenschap te komen en het is de vraag of dit niet haar erfzonde is, of zij zich niet radicaal moet beperken tot het uitspreken van de verwondering.

Er is een filosofie denkbaar die zich juist hierom bekommert, die alleen tot taak heeft zich overal op te rapen en bijeen te sprokkelen uit de extase van de verwondering en de verbijstering en al het andere over te laten aan de wetenschap." (Cornelis Verhoeven 1967, Inleiding tot de Verwondering, pp. 38-40)

zondag 29 december 2013

Het absurde



"Er bestaat maar één werkelijk ernstig filosofisch probleem: de zelfmoord. Oordelen of het leven wel of niet de moeite waard is geleefd te worden, is antwoord geven op de fundamentele vraag van de filosofie. Al het andere - of de wereld drie dimensies, de geest negen of twaalf kategorieën heeft - komt pas daarna. Dat is is maar spel." (Camus 1964, De myte van Sisyfus, p. 9)

maandag 23 december 2013

Het schandaal van de filosofie


Kant
"Hoe onschuldig men het idealisme met betrekking tot de wezenlijke doeleinden van de metafysica ook mag vinden (wat het in feiten niet is), en het is en blijft een schandaal voor de filosofie en de menselijke rede in het algemeen om het bestaan van de dingen buiten ons (die ons al het materiaal voor kennis aan de hand doen, zelfs voor onze innerlijke zintuiglijkheid) louter op grond van geloof te moeten aannemen, en niet in staat te zijn een bevredigend bewijs voor dat bestaan te leveren als iemand op het idee komt het in twijfel te trekken." (Kant 2004, Kritiek van de Zuivere Rede, p. 88)


Heidegger
"Kant noemt het 'een schandaal van de filosofie en van de menselijke rede in het algemeen' dat het dwingende en alle scepsis neersabelende bewijs voor het 'bestaan van de dingen buiten ons' nog altijd ontbreekt. [...] Het 'schandaal van de filosofie' bestaat er niet in dat dit bewijs tot op heden nog niet is geleverd, maar dat we zulke bewijzen steeds weer verwachten en steeds weer proberen te leveren." (Heidegger 1998, Zijn en Tijd, pp. 261-263)


Altijd al buiten

 "Levende wezens zijn, dankzij het proces van variatie en selectie, geïnformeerd. Zij bestaan als gestold over en weer met de natuurlijke omstandigheden. Een levend wezen is niet eerst een zelfstandig zijnde dat vervolgens een relatie aangaat met zijn omgeving, maar de voortgaande geschiedenis van het één ten overstaan van het ander." (Oudemans 2012, In Natura, p. 36)

zondag 22 december 2013

Dawkins' flipping mind


The Extended Phenotype (1982)
"This is a work of unabashed advocacy. I want to argue in favour of a particular way of looking at animals and plants, and a particular way of wondering why they do the things that they do. What I am advocating is not a new theory, not a hypothesis which can be verified or falsified, not a model which can be judged by its predictions. What I am advocating is a point of view, a way of looking at familiar facts and ideas, and a way of asking new questions about them. I am not trying to convince anyone of the truth of any factual proposition. Rather, I am trying to show the reader a way of seeing biological facts.

There is a well-known visual illusion called the Necker Cube. It consists of a line drawing which the brain interprets as a three-dimensional cube. But there are two possible orientations of the perceived cube, and both are equally compatible with the two-dimensional image on the paper. We usually begin by seeing one of the two orientations, but i f we look for several seconds the cube 'flips over' in the mind, and we see the other apparent orientation. After a few more seconds the mental image flips back and it continues to alternate as long as we look at the picture. The point is that neither of the two perceptions of the cube is the correct or 'true' one. They are equally correct. Similarly the vision of life that I advocate, and label with the name of the extended phenotype, is not provably more correct than the orthodox view. It is a different view and I suspect that, at least in some respects, it provides a deeper understanding. But I doubt that there is any experiment that could be done to prove my claim." (Dawkins 1982, The Extended Phenotype, p. 1)


The Selfish Gene 2nd edition (1989)
"[Refering back to the Necker Cube example coined seven years ago.] I now think that this metaphor was too cautious. The Necker cube model is misleading because it suggests that the two ways of seeing are equally good. To be sure, the metaphor gets it partly right: 'angles', unlike theories, cannot be judged by experiment; we cannot resort to our familiar criteria of verification and falsification. But a change of vision can, at its best, achieve something loftier than a theory. It can usher in a whole climate of thinking, in which many exciting and testable theories are born, and unimagined facts laid bare. The Necker cube metaphor misses this completely. It captures the idea of a flip in vision, but fails to do justice to its value. What we are talking about is not a flip to an equivalent view but, in extreme cases, a transfiguration." (Dawkins 1989, The Selfish Gene, p. xvi)

zaterdag 21 december 2013

Dawkins the postmodernist


"If the demise of God will leavea gap, different people will fill it in different ways. My way includes a good dose of science, the honest and systematic endeavour to find out the truth about the real world." (Dawkins 2006, The God Delusion, p. 405)

The real world? 
" 'Really' isn't a word that word we should use with simple confidence. 'Really', for an animal, is whatever its brain needs it to be, in order to assist its survival. And because different species live in such different worlds, there will bea troubling variety of 'reallys'.

What we see of the real world is not the unvarnished real world but a model of the real world, regulated and adjusted by sense data - a model that is constructed so that it is useful for dealing with the real world." (Ibid, p. 416) 

vrijdag 20 december 2013

Springen in de afgrond

"De filosofie komt alleen op gang door een eigenaardige sprong van de eigen existentie in de grondmogelijkheden van het bestaan in z'n geheel. Beslissend voor deze sprong is: allereerst ruimte te geven aan het zijnde in z'n geheel; vervolgens zichzelf los te laten in het Niets, dat wil zeggen vrij te worden van de afgoden die een ieder heeft en waarin hij pleegt te vluchten; ten slotte het zweven in het Niets uit te houden, opdat het voortdurend terugbrengt tot de grondvraag van de metafysica, die het Niets zelf afdwingt: waarom is überhaupt zijnde en niet veeleer niets?" (Heidegger 2009, Wat is Metafysica?, pp. 70-71 [45])

donderdag 19 december 2013

Pourquoi il y a plutôt quelque chose que rien?



"So far I have spoken only of what goes on in the natural world; now I must move up to the metaphysical level, by making use of a great though not very widely used principle, which says that nothing comes about without a sufficient reason; i.e. that
for any true proposition P, it is possible for someone who understands things well enough to give a sufficient reason why it the case that P rather than not-P.
Given that principle, the first question we can fairly ask is: Why is there something rather than nothing? After all, nothing is simpler and easier than something. Also, given that things have to exist, we must be able to give a reason why they have to exist as they are and not otherwise.

Now, this sufficient reason for the existence of the universe can’t be found in the series of contingent things—that is, in bodies and the representations of them in souls. I shall explain why it can’t lie in the facts about bodies; that it can’t lie in the facts about mental representations of bodies follows from that. The reason is that there is nothing in matter, considered in itself, that points to its moving or not moving, or to its moving in some particular way rather than some other. So we could never find in matter a reason for motion, let alone for any particular motion. Any matter that is moving now does so because of a previous motion, and that in turn from a still earlier one; and we can take this back as far as we like—it won’t get us anywhere, because the same question —the question Why?— will still remain. For the question to be properly, fully answered, we need a sufficient reason that has no need of any further reason— a ‘Because’ that doesn’t throw up a further ‘Why?’—and this must lie outside the series of contingent things, and must be found in a substance which is the cause of the entire series. It must be something that exists necessarily, carrying the reason for its existence within itself; only that can give us a sufficient reason at which we can stop, having no further Why?-question taking us from this being to something else. And that ultimate reason for things is what we call ‘God’." (Leibniz 1714, Principles of Nature and Grace)

dinsdag 3 december 2013

Sisyphus en de mestkever



Sisyphus
"Altijd onderweg - een blinde die wil zien en die weet dat de nacht geen einde heeft. De steen rolt weer. Dit universum, dat voortaan geen meester meer heeft, lijkt hem noch onvruchtbaar noch waardeloos. Ieder korreltje van deze steen, ieder splintertje erts van deze nachtdonkere berg betekent, alleen voor hem, een ganse wereld. De strijd op zichzelf tegen de top is voldoende om het hart van een mens te vullen. We moeten ons Sisyphus als een gelukkig mens voorstellen." (Camus 1942, De Mythe van Sisyphus, p. 171)


donderdag 28 november 2013

De fenomenolgie van de koorts

Een revolutionaire denkwending kan pas geschieden wanneer iemand losgescheurd raakt uit het web van gestolde vanzelfsprekendheden waar hij zich tot dan toe in bevond. Op het moment dat zoiets gebeurt raakt men in een vrije val, waarbij alle voordien vertrouwde oriëntatiepunten hun grip verliezen. Hegel brengt het geschieden van een dergelijke gebeurtenis in verband met de doodsangst, een moment van zuivere negativiteit, waarin alle vastgeroeste kaders ineenstorten, waardoor een explosie aan alternatieve zienswijzen zich aandient:
"[Het bewustzijn] is daarbij innerlijk ten ondergegaan, heeft helemaal in zichzelf gesidderd, en alles wat vast was heeft erin gebeefd." (Hegel 1807, Fenomenologie van de Geest, p. 94)
Heidegger neemt Hegels thematiek van de doodsangst over in Sein und Zeit (1927). Ook volgens hem zou een radicale omslag in het denken pas kunnen geschieden in de grondstemming van de angst. Pas wanneer alle schijnbare zekerheden radicaal op het spel gezet en aan het wankelen gebracht worden, kan een revolutionair nieuwe kijk op de dingen aan het licht treden.

In zijn boek Uit Verveling (2007) onderzoekt Awee Prins of naast de angst, de verveling misschien niet een soortgelijk doel zou kunnen dienen. Wie weet. Daar zal ik hier niet verder over uitweiden. Wel wil ik speculeren over een ander alternatief namelijk: de koorts.


Het verhaal van de bioloog Alfred Russel Wallace:


Alfred Russel Wallace (1823-1913) en Charles Darwin (1809-1882) ontdekten, onafhankelijk van elkaar, vrijwel gelijktijdig het prinicpe van evolutie door middel van 'natuurlijke selectie'. Het idee hing zo te zeggen kennelijk in de lucht. Het heerste. Terugblikkend op het moment van zijn revolutionaire vinding schrijft Wallace:
"Ik had op het bewuste tijdstip een zware aanval van wisselkoorts en moest dagelijks tijdens de koude- en warmte-aanvallen urenlang het bed houden, en het enige dat me al die tijd te doen stond was piekeren over onderwerpen die me op dat moment na aan het hart lagen."
"Ik zag in een flits de oplossing, en daardoor namen mijn werkzaamheden een volkomen andere wending dan tot op dat moment verwacht." 
"Hoe meer ik erover nadacht, hoe meer ik ervan overtuigd raakte dat ik uiteindelijk de natuurwet had gevonden waar men al zo lang naar zocht en die het probleem van de oorsprong der soorten oploste. Vervolgens liet ik een uur lang mijn gedachten gaan over de onvolkomenheden in de theorieëen van Lamarck en de auteur van de Vestiges en drong het tot me door dat mijn nieuwe theorie de lacunes in hun ideeen onderving en elk bezwaar weerlegde. Ik verlande vurig naar het einde van mijn koortsaanval, opdat ik terstond notities kon maken voor een artikel over dit onderwerp."
"Als Darwin en ik niet door stom toeval op 'natuurlijke selectie' waren gestoten, zou ik de beste jaren van mijn leven wellicht hebben gewijd aan betrekkelijk profijtloos werk." 
(Wallace 1905, Charles Darwin. Herinneringen, pp. 28-32)
Door stom toeval viel het idee van 'natuurlijke selectie' Wallace in. Was de koorts waaraan hij leed hierbij een onbeduidende bijkomstigheid? Of was het misschien slechts bij gratie van deze 'stemming', dat het nieuwe inzicht überhaupt tot hem komen kon?


In 1976 publiceerde Richard Dawkins zijn boek The Selfish Gene. Ook hierin wordt een revolutionair nieuw perspectief - 'the genes-eye-view' - onthuld. Een nieuwe zienswijze vanwaaruit de gehele levende natuur op een andere manier verschijnt. Over de totstandkoming van dit werk schrijft Dawkins in het voorwoord van de tweede editie:
"I began the book in 1972 when power-cuts resulting from industrial strife interrupted my laboratory research. The blackouts unfortunately (from one point of view) ended after a mere two chapters, and I shelved the project until I had a sabbatical leave in 1975. Meanwhile the theory had been extended, notably by John Maynard Smith and Robert Trivers. I now see that it was one of those mysterious periods in which new ideas are hovering in the air. I wrote The Selfish Gene in something resembling a fever of excitement."
(Dawkins 2006, The Selfish Gene, p. xvii)
Net als Darwin en Wallace bevond Dawkins zich kennelijk in een tijd waarin nieuwe ideeën in de lucht hingen. Een kentering van het wereldbeeld lag op de loer. Toen Dawkins door een stroomstoring eindelijk de tijd had zijn gedachten neer te pennen, schreef hij zijn boek in een koortsachtige opwinding.

Is dit slechts puur toeval? Een irrelevante bijkomstigheid? Of zit er meer achter?

maandag 25 november 2013

De nacht waarin alle koeien zwart zijn




In de huidige epoche is de techniek alomtegenwoordig. Met de opkomst van het darwinisme in de negentiende eeuw is het leven opgenomen in de mechanica. Het reduceert alles tot variatie en selectie volgens algoritmische processen. Ook ons vermeende inzicht in dit alles deelt in deze zelfde mechanica.
"Nergens is de overbodigheid van de filosofie duidelijker dan in het darwinisme. Dit is zijn eigen filosofie. Het betreft alles wat zich vermenigvuldigt. Daartoe behoort ook de darwinistische wetenschap zelf. Het darwinisme is de eerste wetenschap die in haar eigen staart bijt. De darwinist is product van de door hem beschreven evolutie. Wetenschappelijke waarheid is een variant daarbinnen." (Oudemans 2007, Echte Filosofie, p. 154)

Jos de Mul schrijft hierover:
"Beweren dat in ‘de epoche van de eenvormigheid’ alles gereduceerd wordt tot een ‘variatie en selectie volgens algoritmische processen’ en dat om die reden iedere onderscheiding (zoals die tussen natuur en geest), ‘in indifferentie verzinkt’, is net zoiets als beweren dat alle teksten die ooit geschreven zijn indifferent zijn, omdat ze stuk voor stuk bestaan uit een (re)combinatie van lettertekens. Dat is een inderdaad een waarheid als een koe. Helaas zijn in deze nacht van de indifferentie alle koeien zwart. Het is een waarheid, waarmee – als het daarbij blijft – uiteindelijk niets wordt gezegd." (Van Kampen & Jaroszek 2011, De groteske reductie..., p. 155)

De analogie van de nacht waarin alle koeien zwart zijn, leent de Mul van Hegel. Deze schrijft in het voorwoord van de Fenomenologie van de Geest (1807):
"Wanneer men dit ene weten [de vormloze herhaling van Eén en Hetzelfde, dat slechts van buiten is toegepast op het verschillende materiaal en dat zo de saaie schijn van de diversiteit verkrijgt], dat stelt dat in het absolute alles gelijk is, plaatst tegenover de kennis, die onderscheidingen aanbrengt en volledig ontwikkeld is, of tegenover de kennis, die deze volledige ontwikkeling tracht te bereiken en ze opeist - of wanneer men het absolute, dat eigen is aan dit gelijkstellende weten, uitgeeft voor de nacht, waarin, zoals men pleegt te zeggen, alle koeien zwart zijn, dan is zo'n zienswijze de naïviteit, die typisch is voor een totaal gebrek aan kennis." (Hegel 1807, Het Wetenschappelijke Kennen; voorwoord van de Fenomenologie van de Geest, p. 54)

Eender welke uitspraak met de vorm 'alles is X' [in dit geval 'alles is variatie en selectie volgens algoritmische processen'] is uiterst dubieus. De vraag die onmiddellijk opkomt wanneer je een dergelijke propositie leest is namelijk; waar bevindt degene zich die de bewering uit? Op welke positie bevindt hij/zij zich? Is hetgeen beweerd wordt zelf een onderdeel van het alles dat in het geding is, of niet? Indien dat wel zo is, dan kan de uitspraak onmogelijk ondubbelzinnig over alles gaan. Vooraleerst ergens eenduidig over te kunnen spreken, moet de spreker zich er namelijk, zoals Hegel terecht opmerkt, tegenover positioneren. Het subject moet zichzelf losweken uit het alles om er - zuiver - over te kunnen spreken. Wanneer dat gebeurt echter, wordt de vermeende universele uitspraak direct in diskrediet gebracht. Zij maakt dan zelf geen onderdeel meer uit van het alles dat - per definitie - toch alomvattend zou moeten zijn.

Nu is Oudemans niet van gisteren. Met nadruk beklemtoont hij dat hij zich niet tegenover, maar juist te midden van, dit alles bevindt. Wat doet dat met de status van zijn - schijnbaar universele - claim? Moet die überhaupt wel als een bewering gelezen worden? Of is er iets anders gaande?

woensdag 20 november 2013

Geen ontkomen aan

"Here then I find myself absolutely and necessarily determin'd to live, but and talk, and act like other people in the common affairs of life. But notwithstanding that my natural propensity, and the course of my animal spirits and passions reduce me to this indolent belief in the general maxims of the world, I still feel such remains of my former disposition, that I am ready to throw all my books and papers into the fire, and resolve never more to renounce the pleasures of life for the sake of reasoning and philosophy." (Hume 1740, A Treatise of Human Nature, Part IV, §VII)

"De werkelijke ontdekking is die, welke mij in staat stelt met filosoferen op te houden wanneer ík dat wil. - De ontdekking die de filosofie tot rust brengt, zodat die niet meer wordt afgebeuld met vragen die achter de filosofie zelf een vraagteken plaatsen." (Wittgenstein 1953, Filosofische Onderzoekingen, §133)


"Het doel is niet vragen te beantwoorden, maar te ontkomen, eruit te komen. De beweging voltrekt zich altijd achter de rug van de denker om, of op het moment dat hij met zijn ogen knippert. Ontkomen, of het is al gebeurd, of het zal nooit gebeuren. Vragen zijn over het algemeen gericht op een toekomst (of een verleden). De toekomst van de vrouwen, de toekomst van de revolutie, de toekomst van de filosofie, enz. Maar intussen, terwijl men met deze vragen in een kringetje ronddraait, zijn er wordingen aan de gang die in stilte werken, die nauwelijks waarneembaar zijn. Nooit gebeuren de dingen daar waar je denkt, noch via de wegen die je denkt." (Deleuze 1977, Dialogen)

"Die stillsten Worte sind es, welche den Sturm bringen, Gedanken, die mit Taubenfüssen kommen, lenken die Welt." (Nietzsche 1889, Ecce Homo)

zaterdag 16 november 2013

Hegels Sein zum Tode


"De krachteloze schoonheid haat het verstand, omdat het iets van haar verlangt waar ze niet toe in staat is. Maar niet het leven dat terugschrikt voor de dood en dat zich ongeschonden voor de vernietiging behoedt, maar het leven dat de dood verdraagt en in de dood standhoudt, is het leven van de geest. De geest verovert zijn waarheid alleen doordat hij zichzelf terugvindt in de absolute verscheurdheid." (Hegel 1807, Het Wetenschappelijke Kennen; voorwoord van de Fenomenologie van de Geest, p. 70)